Gods oud en nieuw
‘Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen.’ (2 Korintiërs 5:17)
De meditatie deze keer plaatst mij voor keuzes: waar richt ik mij op? Advent, Kerst of de jaarwisseling? Deze editie bestrijkt namelijk die hele periode. Weet u, ik probeer gewoon alle drie zaken in deze meditatie te behandelen. Een nieuw jaar breekt bijna aan. Tenminste, zo zeggen we dat. Want, oké, het jaartal mag dan nieuw zijn, maar wat is er verder voor nieuws aan? Het zogenaamd nieuwe jaar is in een ommezien weer oud en voorbij. Zo was dat met dit jaar toch ook? De nieuwe dingen die wij mensen produceren zijn ook zo weer verouderd en beschadigd. Bijvoorbeeld de nieuwe vloerbedekking, de nieuwe auto of de nieuwe mobiel. Een net aangebroken ‘nieuwe jaar’ wordt pas echt nieuw en vernieuwend als wij mensen op een nieuwe manier gaan leven. Het wordt pas echt een gelukkig en gezegend nieuwjaar als ons hart vernieuwd wordt. Dat kunnen wij zelf niet. Daarvoor hebben we God nodig. Hij wil door Zijn genade en liefde ons leven vernieuwen. Zo dat er geen veroudering en slijtage optreedt, maar we blijvend en echt nieuw zijn. Misschien ervaren we dit niet zo in onszelf en het leven rondom ons. Zelfs niet in de gemeente van Christus. Wat is er nog veel oude mens, oude streken, oude pijn, oude zonden, oude verdeeldheid. En toch is dat het evangelie dat ons wordt verkondigd: God schept iets nieuws, Hij is een God die mensenlevens totaal vernieuwt! Daar is Hij mee begonnen in de geboorte van Jezus. Daarom begint onze jaartelling bij Kerst! Een vernieuwd leven is een werkelijkheid voor ieder die bij de Here Jezus schuilt en gelooft in Zijn menswording en volbrachte werk. Een geloofsrealiteit die helemaal hangt
aan wat Christus heeft gedaan voor ons. Zo staat het ook in vers 18: ‘Dit alles is het werk van God. Hij heeft ons door Christus met zich verzoend en ons de taak gegeven dat bekend te maken.’ Zo geeft God ons nieuwe grond onder de voeten. Hij heeft ons als gelovigen overgeplant in de nieuwe schepping. Dit werk van God is volmaakt en af. Het ligt klaar om geloofd en genoten te worden. Tegelijk brengt God dan ook een proces van vernieuwing in ons leven op gang. Paulus schrijft een hoofdstuk eerder daarover, in 2 Korinthe 4: 16 ‘ons innerlijke bestaan wordt van dag tot dag vernieuwd.’ In de dagelijkse omgang met de Here Jezus doet Hij zijn vernieuwende werk in ons denken, ons doen en ons gevoelsleven. Bidden we om Gods vernieuwende werk in ons en hen die bij ons horen? Het is alles nieuw geworden. Dat God een mens vernieuwt, dat is te zien hoor! Dan leef je niet op de oude voet voort. Dan word je veranderd naar het beeld van de nieuwe mens, Jezus Christus. Laten we dan wel belijden en afleggen wat er nog aan oude, zondige dingen in ons leven is. Zo mogen we in de Adventsperiode toeleven naar de geboorte van de Here Jezus. Geloof het nou maar. Dat geeft zekerheid en vertrouwen in het zogenaamd nieuwe jaar. ‘Daarom ook is iemand die één met Christus is, een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen.’ Laten we dat in 2024 vieren, daaruit leven, daarvan zingen en getuigen. Ik wens u allen veel heil en zegen toe in de komende periode en het nieuwe jaar!
ds. Frits Slothouber
Wie wandelt met God loopt vroeg of laat de hemel binnen
In het kerkelijk jaar heet de zondag in november, voordat de adventstijd aanbreekt,
ook wel eeuwigheidszondag. Daarmee wordt het kerkelijk jaar afgesloten.
We denken dan niet aan zoiets als “afronding”, maar, veel meer toekomstgericht,
aan de voltooiing van al Gods plannen, bijvoorbeeld met ons eigen leven.
Daarbij de vraag waar het in ons leven werkelijk om gaat.
Dus hoe leven wij en hebben wij geleefd.
In de Bijbel lezen we over Henoch, hoe hij leefde en dat God hem wegnam.
Zo lezen we in Genesis 5:21-24:
‘En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach verwekt had.
En hij verwekte zonen en dochters.
En Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God nam hem weg.’
Als je dit leest dan klinkt dat bijna een beetje sprookjesachtig:
Henoch wandelt met God en ineens is hij er niet meer,
want God heeft hem in de hemel opgenomen.
Heel bijzonder. Ook in die tijd.
‘en Henoch wandelde met God’, het wordt tot 2 keer toe herhaald.
Hij wordt als het ware boven de anderen in dat hoofdstuk uitgetild.
Dat betekent niet, dat de anderen niet in God geloofden.
Maar wel, dat het geloof van Henoch heel bijzonder was.
Henoch leeft namelijk in een tijd waarin velen zich weinig tot niets van God aantrekken.
Maar Henoch laat zich in die goddeloze tijd niet van de wijs brengen.
Hij doet geen water bij de wijn door een halfslachtige gelovige te worden.
Henoch leeft dicht bij de Here.
Zo heeft dat wandelen niks te maken met een incidentele wandeling,
maar elke dag leven met God, in verbondenheid met God.
Wandelen met God betekent dus luisteren naar Hem.
Niet uit zijn op waardering van mensen maar op die van God.
God maar niet wat laten praten, maar echt luisteren
en vervolgens God ook volgen, in gehoorzaamheid.
Want wie in geloof wandelt met God, zegt niet tegen Hem:
Here, wacht U even op me, ik wandel even een stukje alleen verder,
want ik moet eventjes wat anders doen en daar hebt U niets mee te maken.
Of ‘Here, dat zegt u nu wel in de Bijbel, maar ik heb daar zo m’n eigen gedachten over.’
Of ‘ik doe maar waar ik zelf zin in heb, of een goed gevoel bij heb.’
Wie gelovig wandelt met God,
leeft in verbondenheid met z’n hemelse Vader, die doet wat Híj wil,
wat Hij van je vraagt, zoals ook geschreven staat in z’n Woord.
Als je wandelt met God wordt je niet beloofd dat je altijd wind mee hebt.
Soms stormt het en heb je de wind pal tegen.
Wandelen met God kan ook betekenen leven met verdriet om gemis of eenzaamheid.
Er is nog steeds veel te huilen: en hij stierf, en zij stierf.
Je man of je vrouw, je broer of je zus, misschien je kind.
Die lege plaats aan tafel, het lege bed, het blijft pijn doen.
Nee, wie wandelt met God wordt niet alle tranen bespaard.
Maar als je soms moet huilen mag je bij je Vader schuilen. Hij loopt naast je.
En wandelen met God is ook dit, dat Hij tegen je zegt:
als je niet meer lopen kunt, dan draag ik je!
ds. Frits Slothouber
‘Toen liepen veel volgelingen van Jezus weg. Ze gingen niet langer met hem mee. En Jezus vroeg aan de twaalf leerlingen: ‘Willen jullie soms ook weggaan?’
Johannes 6: 67-68
Uit het begin van Johannes 6 blijkt dat waar Jezus komt Hij iets met mensen doet. Eerst is de belangstelling overweldigend: vijfduizend mannen. Tel daar nog eens de vrouwen en de kinderen bij.
Dan heb je een enorme club. Wat heeft al die mensen op de been, in beweging gebracht? Die ene mens, Jezus, die zulke aparte dingen zegt en doet. Hij deelt tussen de bedrijven door ook brood en vis uit. In en door Zijn handen wordt het vermenigvuldigd. Er is genoeg voor allen en nog ruimschoots over. De mensen vermoeden terecht dat dit, dat Hij iets met God te maken heeft.
Maar als Jezus dat gebeuren van het brood en van de vis gaat uitleggen, dan gaat het mis. Het enthousiasme zakt als pudding in elkaar, slaat ook om in ergernis. Wat Ik deed en gaf, zegt Hij, wijst heen naar mezelf. ‘t Is geen hocus-pocus, geen show, geen publiekstrekker.
‘Ik ben het brood des levens’, zegt Jezus. Brood voor de wereld. Dat is òf de hoogste waanzin òf de diepste waarheid. De meeste mensen, daar en toen, vonden het waanzin, in elk geval: onzin, prietpraat. Ze gaan weg, voelen zich niet meer betrokken. Misschien al mopperend: ze bekijken het maar! Misschien geruisloos: weer een teleurstelling, een kaarsje gedoofd. ’t Lijkt wel een beetje op kerkverlating.
Van ruim vijfduizend naar een handjevol. Dat is een aderlating! Jezus ziet ze gaan en zegt dan, met het oog op de twaalf discipelen: ‘Jullie willen toch ook niet weggaan?’ Wonderlijke vraag. Het is de toon die de muziek maakt. Als je die vraag uit het verband haalt, kun je er allerlei geluiden in horen.
Onverschilligheid. Op de wijze van: ‘’t Zal mij een zorg zijn!’ Dat klopt niet met de rest van het Evangelie. Het laat Jezus alles behalve koud wat mensen zeggen en doen. We lezen – om een voorbeeld te noemen – dat Hij huilde over Jeruzalem en zei: ‘Hoe vaak heb Ik u naar mij toe geroepen zoals een kloek doet met haar kuikens?’
Wat dan wel? Een afgezaagd woordje, maar wel het hart van de zaak: liefde. Liefde is ook de kunst van het loslaten. Je helpt de ander om bewust een keus te maken en elkaar zo, van harte, nabij te zijn.
Blijven of weggaan? Eén uit de kring reageert. Heel echt, puur, en daarom zegt-ie zoveel: ‘Here, tot wie zullen we heengaan? U heeft woorden van eeuwig leven.’ Die reactie komt van Simon, ook wel Petrus genoemd. Later zal hij de plank nog vaak misslaan, maar wat hij hier zegt, is goud waard, zelfs meer dan dat.
Tot wie zullen we heengaan? Ik herken mijzelf in deze vraag die iets heeft van een verzuchting. Er wordt zoveel gezegd, beloofd, geshowd, getrokken, gepeuterd aan mensen. Het is nooit anders geweest. In het groot en in het klein. In het groot zijn er hele systemen bedacht en in werking gezet om mensen een betere toekomst te bieden: socialisme, communisme, liberalisme, kapitalisme, idealisme. Is het er beter op geworden? Ach, mensen zijn juist allergisch geworden voor grote woorden.
Maar ook op kleinere schaal is en wordt zoveel beloofd. Met bijbedoelingen, maar vaak ook heel oprecht. Soms wordt het wat, soms blijkt het niks te zijn. Tot wie zullen we heengaan? Vooral als het spannend wordt, als de zaak op scherp komt te staan. U hebt woorden van eeuwig leven. Woorden die niet stuk te krijgen zijn! Onze woorden zijn vaak zo kort van duur en klein van kracht. Net als bij de verzekering. Als het echt gaat spannen, dan zijn er allerlei kleine lettertjes waardoor de grote woorden niet meer gelden. Zo gaat ook met ons geloof. Het is soms, vaak (?) zomaar weg. Dat heeft
diezelfde Simon Petrus aan den lijve ervaren. Hij overschatte zichzelf met zijn: ‘Ik zal dit, ik zal dat!’ Het spatte als een zeepbel uit elkaar. Geloven betekent ook: afzien van jezelf, opzien, uitzien naar Hem, die als enige woorden van eeuwig leven heeft.
Ik kom nog even terug op dat woordje kerkverlating. De kerk valt niet samen met Jezus Christus, die de Heer is. Niet de kerk heeft woorden van eeuwig leven. Het is wel de plaats bij uitstek waar die woorden bewaard worden. Niet opgesloten als in een kluis, maar bewaard om ernaar te luisteren en er iets mee te doen. De kerk heeft alleen toekomst als ze die woorden van eeuwig leven eerbiedig en zorgvuldig doorgeeft en voorleeft. Voor anderen uitnodigend: ‘Ga mee!’ Zo’n plek, zo’n plaats van licht en hoop, waar iedereen welkom is, is broodnodig in deze wereld. Ik weet wat er gaande is in en
om de kerk. Ik word er lang niet altijd vrolijk van. Maar als die Ene, Jezus Christus, in het midden staat, het hart van de kring is, dan kom je telkens weer op verhaal, dan schep je moed. Dat weet je opnieuw: wat Hij zegt en doet, ook naar mij toe, dat kan nooit meer stuk.
ds. Frits Slothouber
