De dag waarop Jezus geboren werd, is niet precies bekend. De evangelies geven daarover geen uitsluitsel. Sinds de vierde eeuw vieren de christenen het Kerstfeest. Toen ongeveer ontstonden de twee grote feesten van de kersttijd. De Kerk van Rome heeft de 25e december gekozen. Deze dag gold in het gehele gebied rond de Middellandse Zee als de geboortedag van de onoverwinnelijke zonnegod Mithras, die ook door de Romeinen vereerd werd. Tegelijk was 25 december de dag van de Germaanse winterzonnewende. De kerk viert daarmee Christus als de ware zon en “het Licht der wereld” dat de heidense zonnegod verdrijft. De kerken van het Oosten vieren vooral 6 januari. Dat is de dag waarop Jezus gedoopt werd en door zijn Vader aan de wereld bekend gemaakt als zijn Zoon: “Gij zijt mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in U heb Ik welbehagen” (Marcus 1 : 11). Daarom wordt dit feest ook wel genoemd “Openbaring des Heren”: Christus wordt geopenbaard als de ware koning, die door alle koningen gehuldigd wordt. Om deze reden noemt men dit ook het feest van de heilige Driekoningen. Zijn Godheid openbaart Jezus ook in zijn eerste wondertekenen bij de bruiloft van Kana (zie Johannes 2), wat eveneens op 6 januari gevierd wordt. Het woord Kerstfeest betekent Christus-feest, omdat we in de kerstnacht – dan voluit – beginnen de geboorte van Jezus Christus, Zijn komst in onze wereld, te vieren; zo: Immanuël – God met ons – . Er is geen nacht zo heilig (=apart gezet) als deze waarin God in Jezus Christus mens werd.
De kerststal werd in 1223 voor de eerste keer door Fransiscus van Assisi in Greccio (Italië) in een kerk opgesteld. Zoals eens de herders in Bethlehem, waren de gelovigen daarbij “pelgrims” naar de kribbe. Al gauw stonden er kribben in vele kerken en kloosters, later ook in scholen en huiskamers. Vanaf deze tijd ontwikkelden zich ook de talrijke kerstspelen, die het kerstevangelie uitbeelden.
De kerstboom gaat terug op een vóórchristelijk gebruik. Om de winterzonnewende te vieren, werden in de twaalf donkerste nachten groene takken opgehangen als bescherming en tovermiddel en ook om de zon te bezweren. In alle culturen en godsdiensten is de altijd groene boom woonplaats van de goden en daarmee teken van het leven geweest. Vruchtbaarheid werd ermee aangekondigd. Het gebruik om een kerstboom te plaatsen ontstond in de Elzas en in het Zwarte Woud omstreeks 1509. Hij werd door Maarten Luther en de Reformatie tot kerstsymbool van de protestanten verklaard. In de oorlog tegen Napoleon werd de den vrijheidssymbool van alle Duitsers. Tegen het einde van de 19e eeuw deed de boom zijn intrede in de katholieke kerken en huizen. De kerstboom staat voor de boom van het paradijs waaraan de “vruchten des levens” hangen, uitgebeeld van oorsprong door appels, noten, gebak en nu in overdrachtelijke zin vooral door “gouden kerstbollen en zilveren kerstboomversiering”. Aan het einde van de kersttijd wordt de boom “geplunderd”; van de boom des levens worden de vruchten des levens geplukt.
Het gebruik om met Kerstfeest cadeautjes te geven is eigenlijk ook ouder dan het kerstfeest zelf. Reeds in de vóór-christelijke tijd werden op het feest van de zonnegod en van de zonnewende geschenken uitgedeeld. Op deze dag kregen de Romeinse bedienden en slaven, evenals in de Germaanse landen het dienstpersoneel, geschenken van hun meesters. Het geven van de cadeaus met Kerstfeest gaat ook terug op Maarten Luther. Hij schaft in protestantse kringen in Duitsland omstreeks 1535 het tot dan toe ook daar gebruikelijke Sinterklaasfeest af. Immers in plaats van Sinterklaas brengt het Jezuskind de gaven…..
Ds. K. de Graaf.
